“Je steekt hier de staak door de borstkas van de golven en door naar achter te lopen duw je het waterlichaam weg.”

(Uit ‘In deze sloep van staal …’ van Joost Omen)

Schermopname (10)

Hullen de kustappartementen zich in grijze camouflagekleuren om op de grauwe zeelucht te lijken? Of is het net andersom? De Noordzee kleurt in België niet blauw of groen maar  betongrijs met marmeren aders. Wellicht heeft het zeezicht zich aangepast aan de mistroostigheid van de wandeldijk.

Als baby huilde ik me te pletter wanneer mijn ouders me meenamen voor een dagje strand. Mijn moeder hoefde maar een voet op het zand te zetten of ik werd ontroostbaar. Ook later zag ik als kind weinig charme in ‘couteaukes’ ruilen tegen papieren bloemen.  De schelpjes aan de kustlijn lieten me denken aan een massagraf voor arme weekdiertjes. De Noordzee riep een onrust in me op die ik nadien nooit meer kon temmen. Wellicht lag het aan de gejaagdheid waarmee de getijden zich steeds weer op onze bodem durfden storten.

Ik begrijp dan ook de drang om golven met staken te lijf te gaan. Ik kijk goedkeurend toe hoe we de zee folteren met overbevissing. Ik laat geen traan voor olierampen die de oceaan overspoelen. Als ik kon dan legde ik de eerste steen van de dijken die het water trachten gevangen te houden.

Ik heb weinig medelijden met de kust, tenzij in poëzie. In goed geformuleerde zinnen geef ik de zee volkomen vrijspel.  Ik heb zelfs een zwak voor zeegedichten. Je kan het vergelijken met een oorlog of liefdesverdriet. Je hoopt het nooit te moeten meemaken maar op papier blijft het ontzettend boeiend.  Ook de zee weet mij in haar vele beschrijvingen te boeien. Elke metafoor kan je wel naar een golf kan vertalen.

Ik hoop daarom ooit een bundel te kunnen vasthouden waarop de volledige zee staat afgeprint. Elke bladzijde een golf die kan je kan omslagen.  Al blijft de zee op haar best wanneer je haar geruisloos toeslaat. Een goede literaire zee is een woordenvloed die je kan terugzetten in het boekenrek.

Bewaren

Advertenties

“Sommige gedichten dienen elke dag herschreven.”

(Uit ‘Repeteergedicht’ van J.A. Deelder.)

Schermopname (10)

“Wéér andere bleven beter ongeschreven. Dat zijn verreweg de meesten.” , zo schreef Deelder en ik moest grimlachen uit herkenning. Het typeert hem. Zelfs in een ode deelt hij slagen uit.

Nochtans weet hij eerst te verleiden. Zou een wereld met alleen maar mooie zinnen geen zachtere wereld zijn? Wat als we enkel die paar beste zinnen voor elkaar bewaarden en alle andere ballast overboord gooiden? Zou het geen dankbaar Utopia opleveren?

Deelder zou echter Deelder niet zijn, moest er geen addertje onder het gras schuilen. Hij is geen romanticus maar een dictatoriale poëet. De nachtburgemeester verklaart dan wel schijnbaar zijn liefde aan de schone taal, achter het papier schuilen andere beelden. Ik zie klassen waar drommen leerlingen worden gedwongen om elke dag dezelfde mooiste zinnen te herhalen als ode aan grote roerganger literatuur. Kranten zonder persvrijheid met elke dag dezelfde prachtige koppen.

Een mindere politicus zou nooit wegraken met die totalitaire schoonheid maar Deelder is een nachtburgemeester. Hij leidt het schaduwkabinet tegen het fatsoen. Dan krijg je toestanden waarin gedichten zichzelf herverkiezen. Elke dag opnieuw. Tot alle schoonheid zich kapot herhaalt.

Bewaren

“Dat ondanks alles (twee lichamen) sommige oorlogen een hele nacht niet uitbreken.”

(Uit ‘koude vrede’ van Stijn Vranken)

Schermopname (10)

Je kan elkaar zo lang in de ogen kijken dat je niet meer durft te kussen.  De nacht rekken tot je te moe bent om samen te slapen. Het moment voorbij laten glippen zonder je er erg in hebt. Vooral in romantische films zijn acteurs ware deskundigen in onderdrukte hartstocht. Twee personages vallen overduidelijk voor elkaar maar alle omstandigheden spreken hen tegen.  De passie mag pas uitbreken in het laatste kwartier van de film.

Over oorlog en liefde bestaan vele spreekwoorden. Iedereen kent er wel een. Zo bracht mijn oude Judoleerkracht  me ooit de Oosterse wijsheid bij: ‘Het leven is een strijd als ge met een schoon maske vrijt.’

De manier waarop Stijn Vranken de oorlog echter in beeld brengt, overstijgt het niveau van de romantische komedie en volkse wijsheden. Naar het front trekken en weten dat je zal verliezen. Je tevreden stellen met een judaskus. Elkaar leren om het onderspit te delven. Vranken heeft begrepen dat liefde pas boeiend wordt wanneer er gewonden vallen.

“De buurman de perziken die bij mij op tafel staan in het geheim fotografeert.”

(Uit ‘Terwijl mijn voet hoog ligt te bloeien op het dashboard’ van Els Moors)

Schermopname (10)

Bezoek uitnodigen is steeds een beetje verhuizen. Je kamers herschikken zich ongemerkt. Keukenstoelen belanden in de eetkamer, de salontafel zet zich dichter bij de zetel, boeken krijgen ezelsoren en glazen ontwaken de volgende dag in een andere kast.  Het afval wordt eens niet gesorteerd en het toilet heeft een rol papier minder.

De volgende dag probeer je het huis dan ook terug uit de wanorde te halen. Af en toe kan je daarbij op verrassingen stoten. Iemand heeft de magneetjes op de koelkast rechtgehangen, de fruitmand heeft zich tot een stilleven herschikt en de trui die gisteren nog op de grond lag, heeft zich autonoom terug opgeplooid en netjes op de stoel gelegd. Zelfs zonder fototoestel kan je beelden maken.

“Alleen de ogen steken door de vacht heen, wat poezen het geheimzinnige geeft van gesluierde vrouwen.”

 (Uit ‘De gesluierde schoonheid’ van Midas Dekkers)

Schermopname (10)

Poezen en poëzie, het is maar een paar letters verschil.  Vandaar wellicht dat er zoveel foto’s bestaan van schrijvers met hun kat: Hemingway, Bukowski, Huxley, Murakami, Buddingh’, de Coninck, … Zelfs in het logo van de verenging  ‘Jeugd en Poëzie’ staat een poes ingewerkt.

Gerrit Komrij bekende in zijn poëziekalender, dat hij niet kon weerstaan aan poezengedichten. Passeerde er een kat in een vers dan was hij verkocht.  Niemand schrijft echter zo adorerend over poezen als Midas Dekkers. De ene keer herkent hij in een kat de rondingen en gratie van een vrouw, de andere keer een vraagteken. ‘Maar dan wel het heerlijkste vraagteken dat er is: eerst de staart als een goddelijke krul en dan, als punt eronder, dat pronte wonderkontje. Een vraag om je eeuwig in te verdiepen. Een poes laat je altijd in onzekerheid achter.’

Helemaal heerlijk wordt het wanneer Dekkers zich ongegeneerd overgeeft aan de meest liefdevolle metaforen. ‘Prille poezenoortjes doen denken aan besabbelde potloodeindjes, aan weke flappen die uit een schelpdier steken of, het meest nog, aan schaamlipjes. Maar dan, als bij toverslag, groeien ze uit tot de onweerstaanbare driehoekjes boven op het poezenhoofd, zo prominent als de piramiden in een woestijn, uit de verte, zo pikant als kleine bikinibroekjes.’  Op die manier vult hij 142 bladzijden aan korte ophemelingen. Schuilt er in die columns ook poëzie? Mag je Dekkers een poezendichter noemen? En kan je teveel van katten houden? Het antwoord luidt driemaal overtuigend : ja.

Bewaren

Bewaren

“O vader, leen mij adem voor één gil, zodat zij hoort wat ik haar zeggen wil.”

(Uit ‘toenadering’ van Neeltje Maria Min)

Schermopname (10)

Soms schrik ik wakker en voel ik mijn armen en benen niet meer. Al mijn gewaarwordingen beperken zich tot het samenpersen van mijn hart. Ik hoor het luide gonzen van  een aftelrijm en hoe meer ik me zorgen maak dat het straks zal eindigen, hoe sneller de slagen op elkaar volgen. Ik durf niet te schreeuwen uit angst per ongeluk mijn laatste adem uit te blazen.

Ik ben doodsbang maar niet voor de dood. Niet voor de best wel sympathieke Magere Hein. Ook niet voor het niets, noch voor hemel of hel. Zelfs dat ik niet weet wat er achter het sterven schuilgaat, maakt me niet ongerust. In het onverwachte schuilt immers de charme van het avontuur. Maar de gedachte dat ik jou na de dood niet meer terug kan vinden, jaagt me de schrik van mijn leven aan.Dat ik ooit mijn vrienden niet meer terugvind. Dat er al dan niet een plaats bestaat waar ik tot in het oneindige mijn zus en ouders dien terug te zoeken. Dat ik jullie moet missen, gedurende misschien slechts een paar minuten tot mogelijk in de eeuwigheid. Zoveel wreedheid benauwt me. Ik heb er reeds zolang over gedaan om jullie te vinden, nu wil ik jullie nooit meer kwijt. ‘Vader, laat mij niet sterven zonder haar’, zo eindigt het gedicht van Neeltje Maria Min.  Gelukkig zijn er ook eindes die je gewoon kan herlezen.

Bewaren

“Als we onszelf willen zien, doen we dat door de aanraking van de ander.”

(Uit ‘Ons manifest’ van Stefanie Huysmans)

Schermopname (10)

De meeste schrijvers treden op om hun boeken te promoten. Het papieren woord primeert.  Veel dichters kruipen enkel achter de micro omdat er tegenwoordig meer poëzie geluisterd dan gelezen wordt. Verschillende schrijvers zijn dan ook bijzonder timide op het podium en de meesten horen er zelfs niet op thuis.  Af en toe zijn er echter uitzonderingen: actrices, muzikanten of theatermakers met schrijftalent. Stefanie Huysmans is zo iemand. Ze schrijft alleen om op te treden.

Maar wat een genot om haar aan het werk te zien. Overlaatst stond ze nog met een bende muzikanten op het podium van de Mechelse pleinfeesten. Het was alsof Kurt Cobain uit de dood verrees om me een sprookje voor te lezen. Huysmans is zowel kwetsbaar als onbehaaglijk. In haar poëzie schippert ze op de grens tussen verbeelding en werkelijkheid. Het ene moment staat ze met naakte voeten als een bosnimf over het podium te wiegen, de andere keer bijt ze je toe als een wolvenjong.

Na een optreden deemsteren haar zinnen weg. De aanwezigen kunnen ze alleen nog met hun eigen woorden navertellen. Herlezen zit er niet in, je kan hoogstens nog eens komen luisteren.  Je zal haar geschriften dan ook niet snel terugvinden. Haar enigste gedrukte zin staat op de ballonnen van de Poëziedag in de Provincie Antwerpen.  Er bestaat weinig materiaal dat zo vergankelijk is. Je blaast de woorden op en na een tijdje springen ze stuk om voorgoed in onze herinneringen te verdwalen. Alleen de tijd zal uitwijzen of het gesproken woord langer blijft hangen dan het geschreven.

“Eenzaamheid gaat over niet opgevulde ruimtes.”

(Uit ‘Een huis in Brugge’ van Moya De Feyter)

Schermopname (10)

‘Als ik in een boekenwinkel ben en er plakt een sticker op een boek met WAARGEBEURD erop dan ga ik heel hard rennen. Nog het meest omwille van die hoofdletters. Hoofdletters schreeuwen. Je schreeuwt niet in boekenwinkels.(…) Toch wil ik een waargebeurd verhaal vertellen.’  Zo begint de tekst waarmee Moya De Feyter de laatste editie van Frappant txt heeft gewonnen. Zowel op het podium als ernaast vindt ze de juiste balans tussen twijfel en vastheid.  Kwetsbaarheid met een willetje. Ze laat je aarzelen welk van haar waargebeurde verhalen het minst gelogen is en schenkt je een uitgebalanceerde dosis onevenwicht.

‘Is je tekst echt waargebeurd?’ is wellicht een van de vragen die ze het meest te horen krijgt. Maar wat doet het ertoe? Maakt het iets uit of de schrijfster daadwerkelijk een trein heeft genomen naar Brugge? Of ze daar vrienden heeft gemaakt of niet? Schuilt er niet in elke tekst iets autobiografisch? Het is een discussie die in schrijversmiddens wel eens opborrelt tussen gesprekken over ongepubliceerd werk en de writer’s block. De twee uiterste standpunten liggen tussen ‘fictie bestaat niet’ en ‘mijn leven is niet interessant genoeg om over te schrijven.’

Zelf zie ik dichten meer als een verkleedpartij. Verhalen die ik kan aantrekken wanneer ik me wil vermommen. Ik moet dan ook vaak grimlachen wanneer mensen me vragen voor wie een gedicht is geschreven. Sommige soapkijkers kunnen acteurs en televisiepersonages niet uit elkaar houden, sommige lezers kunnen dan weer moeilijk vatten dat een mooi liefdesgedicht ook voor niemand in het bijzonder kan zijn geschreven. Schrijf een gedicht over een oude man en mensen zullen vragen of het je vader is. Gebruik meerdere meisjesnamen en lezers vermoeden een affaire en treed je op met een gedicht over een kinderlijkje dan zal je die avond weinig worden aangesproken.

“En de engel vloog langzaam klapwiekend en in gedachten verzonken terug naar waar hij niet bestond.”

(Uit ‘Stof dat als een meisje’ van Toon Tellegen)

Schermopname (10)

In het middelbaar had ik een hartsgrondige hekel aan Toon Tellegen.  Alle leerkrachten waren fan van hem, zo maak je je als schrijver reeds bij voorbaat verdacht. Bovendien hoorde je zijn gedichten ook nog eens op de meest saaie gelegenheden. Ze werden voorgelezen op huwelijken, begrafenissen en zelfs lentefeesten.  Ook op elk afstudeerproject van eender welke lagere school trachtte het jonge grut zich een weg door zijn welopgebouwde zinnen te stamelen. Poëzie die zo populair was, daar moest wel iets mis mee zijn.  Ik hield toen meer van gedichten die niemand kende. Gaf mij maar obscure dichters zoals Herman de Coninck of C. Buddingh’.

Ouder geworden, besloot ik mijnheer Tellegen toch nog een kans te geven. Ik liet de trauma’s aan eekhoorns, mieren en prinsessen achter mij en ontleende in de plaatselijke bibliotheek de willekeurige bundel:  ‘Stof dat als een meisje’. Ik kon kiezen tussen bijna dertig van zijn dichtbundels maar deze titel klonk alvast het meest veelbelovend.  Het eerste gedicht ging over een engel. Ik hou niet zo van engelen of mythische wezens maar ik las verder. Bleek er in elk van zijn gedichten toch wel een engel voor te komen. Zoveel irrationaliteit kon ik amper verdragen. Neen, voor mij geen magische poespas of hoog oplopende emoties. Er zijn reeds genoeg schrijvers die zich door hun gevoelens laten vernederen. Geef mij maar nuchtere zakelijkheid.

“Vindt hij haar borsten mooi, zijn ze met de jaren naar zijn handen gegroeid.”

(Uit ‘Kijken naar’ van Ann Van Dessel)

Schermopname (10)

Ik heb het mannen al zo vaak over hun vrouw horen zeggen dat het een cliché is geworden:  haar borsten passen perfect in zijn handen. Het deksel past op het potje. Ann Van Dessel herhaalt hetzelfde cliché maar dan met meer aanpassende woorden.  En toch vind ik het geen mooie zin. 

Ik begrijp de odes aan de perfecte boezem niet. Mijn hart slaat juist een slag over wanneer ik merk dat mijn handen te groot voor zijn om een borst te omvatten. Net dat maakt de ervaring buitengewoon. Dat ondanks sommige lichamen duidelijk niet voor elkaar gemaakt zijn, je toch veel van elkaar kan houden.  Er bestaan al genoeg cliché’s. Ik hou meer van liefde die verwondert en verrast.

Bewaren